Wie voer koopt voor schapen of geiten, komt op etiketten vaak dezelfde termen tegen: ruwe celstof, ruw eiwit, ruw vet, ruwe as, calcium en fosfor. Voor veel hobbyhouders blijven dit cijfers zonder duidelijke betekenis. Toch geven deze waarden belangrijke informatie over hoe een voer is opgebouwd en of het past bij de vertering van je dieren. In deze blog leggen we de belangrijkste onderdelen van een voeretiket uit, zodat je beter kunt beoordelen wat je voert.
Ruwe celstof
Ruwe celstof geeft een indicatie van het vezelgehalte in een voer. Vezels zijn essentieel voor schapen en geiten. Ze zorgen ervoor dat dieren blijven kauwen en herkauwen en ondersteunen een stabiele penswerking. Een hoger gehalte aan ruwe celstof betekent meestal dat een voer meer structuur bevat. Dat past beter bij de natuurlijke vertering van herkauwers.
Het is wel belangrijk om te weten dat deze waarde niet alle vezels meeneemt. Het zegt dus iets over structuur, maar niet alles over de kwaliteit van het ruwvoer.
Ruw eiwit
Ruw eiwit geeft aan hoeveel eiwit er in het voer zit. Eiwitten zijn nodig voor groei, herstel en melkproductie. In de pens worden eiwitten eerst afgebroken door micro-organismen en daarna door het dier benut.
Een te laag eiwitgehalte kan leiden tot trage groei of verminderde conditie. Een te hoog eiwitgehalte, vooral in combinatie met weinig structuur, kan de vertering juist verstoren. Het gaat dus niet alleen om de hoeveelheid, maar ook om de balans in het rantsoen.
In de blog “Eiwitten bij schapen en geiten” lees je hoe eiwit in de praktijk werkt.
Ruw vet
Ruw vet geeft het vetgehalte van het voer aan. Vet levert energie, maar speelt bij schapen en geiten meestal een kleinere rol dan bij bijvoorbeeld honden of varkens. In de meeste rantsoenen voor hobbyvee is vet geen beperkende factor.
Ruwe as
Ruwe as is misschien de minst duidelijke term op het etiket. Het zegt iets over de totale hoeveelheid mineralen in het voer. Wanneer een voer wordt verbrand, blijft er een rest over van mineralen zoals calcium, fosfor, magnesium en sporenelementen. Dit wordt weergegeven als ruwe as.
Een hoger asgehalte betekent dus niet dat er “slechte stoffen” in zitten, maar dat het voer relatief veel mineralen bevat.
Calcium en fosfor (Ca:P)
Op veel etiketten zie je ook calcium en fosfor apart vermeld staan. Deze twee mineralen zijn belangrijk voor botopbouw, spierfunctie en stofwisseling. De verhouding tussen calcium en fosfor is daarbij minstens zo belangrijk als de hoeveelheid zelf. Voor schapen en geiten ligt een gezonde verhouding meestal rond twee delen calcium op één deel fosfor. Wanneer deze verhouding uit balans raakt, kan dit op termijn problemen geven, zoals urinestenen bij bokken en rammen. In de blog “Urinestenen bij bokken en rammen” lees je hier meer over.
Ingrediëntenlijst (waar bestaat het voer écht uit?)
Naast de analyse staat op een voeretiket altijd een ingrediëntenlijst. Deze lijst laat zien waar het voer van gemaakt is, zoals grasmeel, luzerne, bietenpulp, granen of bijproducten.
Wat veel mensen niet weten, is dat ingrediënten op volgorde van hoeveelheid staan. Het ingrediënt dat als eerste genoemd wordt, zit er dus het meest in. Dat zegt vaak meer dan de analyse alleen.
Een voer kan bijvoorbeeld een prima eiwitpercentage hebben, maar als de basis vooral uit granen bestaat, ziet de samenstelling er heel anders uit dan wanneer vezelrijke grondstoffen de basis vormen.
Bij het beoordelen van voer helpt het om te kijken waar de nadruk ligt. Ligt de basis bij vezelrijke grondstoffen zoals gras, luzerne of vezelrijke bijproducten, of juist bij energierijke ingrediënten zoals granen en zetmeelbronnen? De ingrediëntenlijst geeft daarmee vaak het meest eerlijke beeld van het voer.
Wat zeggen deze cijfers nu écht?
Hoewel voeretiketten nuttige informatie geven, vertellen ze niet het hele verhaal.
Ze zeggen iets over de samenstelling van het voer, maar niet altijd over de kwaliteit van de grondstoffen, hoe goed het voer wordt verteerd en hoe het rantsoen als geheel in balans is.
Daarom is het belangrijk om altijd naar het totaalplaatje te kijken: wat eet het dier nog meer, hoe ziet het ruwvoer eruit en hoe reageert het dier op het voer?
Etiketten lezen in de praktijk
Bij het beoordelen van voer voor schapen en geiten kun je een paar eenvoudige richtlijnen aanhouden.
Voer dat past bij herkauwers bevat meestal voldoende vezels en structuur, en is niet extreem rijk aan zetmeel of snelle suikers. Daarnaast is het belangrijk dat het rantsoen wordt aangevuld met de juiste mineralen, zodat tekorten worden voorkomen zonder dat het voer te energierijk wordt.
In de blog “Voertermen uitgelegd” lees je hoe begrippen zoals vezels, penswerking en fermentatie samenhangen.
Tot slot
Een voeretiket lijkt in eerste instantie technisch, maar wordt een stuk duidelijker wanneer je weet waar je naar kijkt. De belangrijkste vraag is uiteindelijk niet alleen wat er op het etiket staat, maar of het voer past bij de natuurlijke vertering van je dieren. Een vezelrijke basis, aangevuld waar nodig, zorgt meestal voor de meest stabiele en gezonde voeding.
Praktisch toepassen?
Een goede balans begint bij ruwvoer en de juiste aanvulling.
Bekijk hier onze ruwvoermixen en balancers voor schapen en geiten: