Varkens zijn alleseters. Ze kunnen zowel plantaardige als dierlijke voedingsmiddelen eten en zijn in staat om allerlei verschillende voedingsstoffen te verteren. Toch betekent dat niet dat vezels maar een onbelangrijk onderdeel van hun voeding zijn.
Vezels hebben verschillende functies in het maagdarmkanaal. Ze beïnvloeden onder andere de darminhoud en passagesnelheid, kunnen dienen als voedingsbron voor bacteriën in de dikke darm en kunnen bijdragen aan verzadiging. Welke effecten ze precies hebben, hangt sterk af van het soort vezel en de rest van het rantsoen.
Daarom is ‘veel vezels is gezond’ eigenlijk te simpel. Een varken heeft vezels nodig als onderdeel van een compleet rantsoen, maar meer vezels is niet automatisch beter. En een rantsoen dat veel vezels bevat, levert ook niet automatisch alle andere voedingsstoffen die een varken nodig heeft.
Om te begrijpen waarom, moeten we eerst kijken naar wat vezels eigenlijk zijn.
Wat zijn vezels eigenlijk?
Vezels zijn onderdelen van plantaardig voedsel. Je vindt ze bijvoorbeeld in gras, hooi, groenten, fruit, granen, zaden en allerlei plantaardige bijproducten die in varkensvoer worden gebruikt.
Planten bestaan uit verschillende soorten koolhydraten. Sommige daarvan, zoals zetmeel, kan een varken met zijn eigen verteringsenzymen afbreken tot kleinere stoffen die vervolgens in de dunne darm kunnen worden opgenomen.
Bij vezels werkt dat anders. Een varken kan deze niet, of niet volledig, met zijn eigen verteringsenzymen afbreken. Daardoor bereiken vezels voor een belangrijk deel de dikke darm.
Wat er vervolgens met deze vezels gebeurt, verschilt per soort. Sommige kunnen daar alsnog worden afgebroken, terwijl andere grotendeels met de mest het lichaam verlaten. Dat verschil bepaalt mede welke functie een vezel in het maagdarmkanaal heeft.
Daarom zegt alleen de hoeveelheid vezels in een voedingsmiddel nog niet precies wat die vezels in het lichaam van een varken doen.
Wat gebeurt er met vezels in de darmen?
Een deel van de vezels uit het voer komt vrijwel onveranderd in de dikke darm terecht. Daar leven grote hoeveelheden bacteriën die bepaalde vezels wel kunnen afbreken. Dit proces noemen we fermentatie.
De bacteriën gebruiken deze vezels als voedingsbron. Daarbij ontstaan onder andere korteketenvetzuren. Deze stoffen kunnen via de darmwand worden opgenomen en door het varken als energiebron worden gebruikt. Sommige zijn bovendien een belangrijke voedingsbron voor de cellen van de dikke darm zelf.
Fermentatie heeft daarnaast invloed op het milieu in de darm en op de bacteriën die daar leven. Vezels zijn daarmee dus niet simpelweg onverteerbare ‘vulling’: een deel vormt letterlijk voeding voor de darmbacteriën, die er vervolgens stoffen van maken waar het varken zelf weer iets aan heeft.
Niet alle vezels worden even gemakkelijk gefermenteerd. Sommige worden relatief snel door darmbacteriën afgebroken, terwijl andere veel langzamer of nauwelijks worden gefermenteerd.
En juist daarom maakt het uit welke vezels een varken binnenkrijgt.
Niet iedere vezel doet hetzelfde
We spreken vaak over ‘vezels’ alsof het een soort voedingsstof is, maar er bestaan veel verschillende soorten vezels. Ze worden niet allemaal op dezelfde manier afgebroken en hebben daardoor ook niet precies dezelfde functie in het maagdarmkanaal.
Sommige vezels kunnen relatief goed door de bacteriën in de dikke darm worden gefermenteerd. Andere worden veel minder afgebroken en zorgen juist meer voor volume en structuur in de darminhoud. Ook verschilt het per vezel hoeveel water deze kan vasthouden en hoe snel de darminhoud door het maagdarmkanaal beweegt.
Dat verschil zie je ook terug tussen verschillende vezelrijke grondstoffen. Bietenpulp en cichoreipulp bevatten bijvoorbeeld vezels die relatief goed fermenteerbaar zijn. Meer structuurrijke grondstoffen, zoals haverdoppen, bevatten juist een groter aandeel vezels dat veel minder gemakkelijk wordt gefermenteerd.
Het ene is daarbij niet beter dan het andere. Ze hebben verschillende eigenschappen en kunnen daardoor ook verschillende functies in het rantsoen vervullen.
Daarom is het bij varkensvoeding niet alleen interessant hoeveel vezels een voer bevat, maar ook waar die vezels vandaan komen.
Waarom kunnen vezels helpen bij verzadiging?
Varkens zijn van nature een groot deel van de dag bezig met het zoeken naar voedsel. Voor een varken met een lage energiebehoefte kan dat lastig zijn: het dier heeft relatief weinig energie nodig, maar wil wel graag eten.
Vezels kunnen daarbij helpen. Vezelrijke voeders hebben over het algemeen een lagere energiedichtheid dan voeders die veel vet of makkelijk verteerbare koolhydraten bevatten. Daardoor kan er meer ruimte zijn om het varken te laten eten, zonder dat de hoeveelheid energie evenredig meestijgt.
Daarnaast kunnen bepaalde vezels water opnemen en het volume van de maag- en darminhoud vergroten. Andere vezels worden geleidelijk gefermenteerd in de dikke darm. Deze eigenschappen kunnen eraan bijdragen dat een varken na het eten langer verzadigd blijft.
Dat is vooral interessant bij minivarkens en andere varkens met een lage energiebehoefte. Wanneer je alleen minder van een energierijk voer geeft om overgewicht te voorkomen, wordt de hoeveelheid voer steeds kleiner. Met een vezelrijker en energiearmer rantsoen kan er meer ruimte zijn om het varken te laten eten, zonder tegelijkertijd onnodig veel energie te voeren.
Niet alleen de hoeveelheid voer, maar ook de samenstelling en structuur ervan hebben invloed op wat er in de maag gebeurt. Zo spelen onder andere de structuur en deeltjesgrootte van het voer een rol bij de maaggezondheid van varkens. Waarom dat belangrijk is, lees je in onze blog over maagzweren bij varkens.
Vezels zijn daarmee niet alleen interessant voor de vertering, maar kunnen ook helpen om de hoeveelheid voer en de energiebehoefte van het varken beter bij elkaar te laten passen.
Meer vezels is niet automatisch beter
Vezels hebben dus verschillende nuttige functies, maar dat betekent niet dat een varken er onbeperkt veel van nodig heeft. Een goed rantsoen draait om balans.
Een vezelrijker rantsoen heeft meestal een lagere energiedichtheid. Dat kan juist gewenst zijn bij een volwassen minivarken dat gemakkelijk te zwaar wordt. Maar een varken dat groeit, drachtig is of biggen zoogt, heeft een hogere behoefte aan energie en andere voedingsstoffen. Wanneer het rantsoen voor zo'n dier erg vezelrijk wordt, kan het lastiger worden om voldoende energie en voedingsstoffen binnen te krijgen.
Daar komt nog iets bij: een vezelrijk rantsoen is niet automatisch een compleet rantsoen. Een varken dat buiten veel gras eet en daarnaast groente, fruit of andere vezelrijke producten krijgt, kan prima veel vezels binnenkrijgen en tegelijkertijd te weinig van andere essentiële voedingsstoffen krijgen.
Eiwit is daar een goed voorbeeld van. Niet alleen de hoeveelheid eiwit is belangrijk, maar ook of het rantsoen voldoende van de essentiële aminozuren levert die een varken nodig heeft. Daar vertellen we meer over in onze blog over eiwittekort bij varkens.
Het doel is daarom niet om een varken zo veel mogelijk vezels te voeren. Het gaat erom dat de hoeveelheid en het soort vezels passen binnen een rantsoen dat ook voorziet in de rest van de voedingsbehoefte van het dier.
Hoe zie je hoeveel vezels een varkensvoer bevat?
Op het etiket van varkensvoer vind je onder de analytische bestanddelen het percentage ruwe celstof. Dit getal geeft een indicatie van het vezelgehalte, maar is niet hetzelfde als de totale hoeveelheid voedingsvezels in het voer. Bij de analyse van ruwe celstof worden namelijk niet alle soorten vezels volledig meegenomen.
Ook vertelt het percentage ruwe celstof niet welke vezels het voer bevat. Twee voeders met hetzelfde percentage ruwe celstof kunnen verschillende vezelbronnen bevatten en daardoor verschillende eigenschappen hebben.
Daarom is het interessant om naast de analyse ook naar de ingrediëntenlijst te kijken. Bietenpulp, cichoreipulp, luzerne en haverdoppen leveren bijvoorbeeld allemaal vezels, maar zoals we hierboven zagen gedragen die zich niet allemaal hetzelfde in het maagdarmkanaal.
Wil je weten wat ruwe celstof en de andere termen op een voeretiket betekenen? Lees dan onze blog over voertermen bij varkens.
Vezels als onderdeel van een compleet rantsoen
Vezels zijn dus veel meer dan alleen onverteerbare vulling. Afhankelijk van het type vezel kunnen ze op verschillende plekken in het maagdarmkanaal een functie hebben, dienen als voedingsbron voor darmbacteriën en bijdragen aan verzadiging.
Maar vezels staan nooit op zichzelf. Een goed rantsoen moet daarnaast voldoende energie, eiwitten en essentiële aminozuren, vitamines, mineralen en sporenelementen leveren. Hoe vezelrijk dat rantsoen kan of moet zijn, hangt daarom ook af van het dier, de levensfase en de energiebehoefte.
Het doel is uiteindelijk niet zo veel mogelijk vezels, maar een rantsoen waarin verschillende voedingsstoffen en ingrediënten elkaar aanvullen.
Vezels in Veldvoer
Daarom bevatten zowel Veldvarken als Wroetvoer verschillende vezelrijke grondstoffen. Wroetvoer is daarbij bewust vezelrijker en energiearmer voor varkens met een lagere energiebehoefte, terwijl Veldvarken is afgestemd op dieren waarbij groei en ontwikkeling meer energie en voedingsstoffen vragen.
Bekijk hier ons varkensvoer.